Blokje rond

Metalen reuzen
schudden dreunend
glas en puin.
De snelweg schuimt
in mijn oren.

Mijn broek rechts van me,
zetten we ons samen schrap.
Gearmd gaan we, per twee.
Een binnenschip rimpelt
het stomme kanaal.

Wintervingers betasten
schaamteloos mijn gezicht;
Takkennetten vangen
het geraas van overzee,
schudden de
woede uit de golven.

Een ree schenkt me
haar wimperslag.
Kauwen knippen gaten
in de jas van de winter.
Drie draagmoeders
hinniken me na.

Het station vuurt haar pijlen af.
Op het perron wervelt
de stukgeslagen
mededeling aan de reizigers.

Dozentreinen denderen log
over de spoorwegbrug.
Tikkend als
een vermoeide kachel,
laat ze zich overreden.

In wijken op sluimerstand
kruist een poes betrapt de straat,
verklappen bruin
ritselende annabellen,
verdorde zomergeheimen
aan passanten.
In de verte blaft een hond.

Onder de kerktoren lonkt
de vrijheid, wenkt de koffie.
De windhaan zet zijn kam op
tegen het noordwesten.
Ook vandaag weer
is het blokje rond.

© Nikki

Zondagskind

Ver boven het hier en nu
draagt ze je,
diep in zich mee,
je koesterend,
als eens haar kind.

Ze wiegt en voedt
haar wensen, haar gebeden
weeft ze in lampionnen,
geeft ze mee aan de wind.

Waar hij je ook
op de wangen kust
of door de haren woelt,
hoe donker ook de plek
waar hij je vindt,

zingen lampionnen
wees niet bang
je bent ver maar nooit alleen
er wordt van je gehouden,
jij zondagskind.

© Nikki