Schipdonker

tussen wal en
schipdonker
wandel ik
trager dan ooit

wals ik
met de bomen
mijn handen op hun schors,
verklap ik ze
mijn dromen,
zoek ik
in hun bloesems
de belofte van
een zorgeloze zomer

tussen wal en
schipdonker
hervindt de vallei
haar adem
nu de mijne stokt

slingert de beek
zich een weg en
weeft sterrenkroos
stille tapijten
boven duizenden
dikkopjes
in haar lome schoot

op haar oevers
houden jonge
neteltoppen
de adem in
en wachten
geduldig
op argeloos
ontblote kuiten

tussen wal en
schipdonker
brullen kikkers me na,
voelt buiten
niet meer als buiten
en binnen als
buiten zinnen

en ik wandel er
trager dan ooit

© Nikki

Vandaag

vanaf vandaag

manden vol
niet te versmaden
kraakverse
liefde

emmers vol
over de randen klotsende
ontembare
liefde

armen vol
boeketten vol
bedwelmende
geurige
liefde

schalkse liefde
die naar je knipoogt
van achter
elke wolk

die giechelend
haar rokje optilt
en speels
met haar billen
schudt

die je dronken kust
met lippen die druipen
van meer liefde
zoveel meer liefde
net zoveel als
de dag dragen kan

vanaf vandaag

kleit de liefde
jouw hart
en draait ze het
om haar vingers

elke dag opnieuw

© Nikki

Zeebenen

ik spoel aan op
het wrakhout
van mijn
kort door de bocht
genomen beslissingen

op mijn
kolkende dromen
door de golfslag
herhaald
en herhaald
in een oneindig ballet
van komen en gaan

mijn verloren kussen
landen als kletsen
op de billen
van de oevers

mijn rug gerecht
strijk ik
de gerafelde zeilen

op zeebenen
leg ik aan
in mijn bestaan

© Nikki

Blokje rond

Metalen reuzen
schudden dreunend
glas en puin.
De snelweg schuimt
in mijn oren.

Mijn broek rechts van me,
zetten we ons samen schrap.
Gearmd gaan we, per twee.
Een binnenschip rimpelt
het stomme kanaal.

Wintervingers betasten
schaamteloos mijn gezicht;
Takkennetten vangen
het geraas van overzee,
schudden de
woede uit de golven.

Een ree schenkt me
haar wimperslag.
Kauwen knippen gaten
in de jas van de winter.
Drie draagmoeders
hinniken me na.

Het station vuurt haar pijlen af.
Op het perron wervelt
de stukgeslagen
mededeling aan de reizigers.

Dozentreinen denderen log
over de spoorwegbrug.
Tikkend als
een vermoeide kachel,
laat ze zich overreden.

In wijken op sluimerstand
kruist een poes betrapt de straat,
verklappen bruin
ritselende annabellen,
verdorde zomergeheimen
aan passanten.
In de verte blaft een hond.

Onder de kerktoren lonkt
de vrijheid, wenkt de koffie.
De windhaan zet zijn kam op
tegen het noordwesten.
Ook vandaag weer
is het blokje rond.

© Nikki

Zondagskind

Ver boven het hier en nu
draagt ze je,
diep in zich mee,
je koesterend,
als eens haar kind.

Ze wiegt en voedt
haar wensen, haar gebeden
weeft ze in lampionnen,
geeft ze mee aan de wind.

Waar hij je ook
op de wangen kust
of door de haren woelt,
hoe donker ook de plek
waar hij je vindt,

zingen lampionnen
wees niet bang
je bent ver maar nooit alleen
er wordt van je gehouden,
jij zondagskind.

© Nikki