Schipdonker

tussen wal en
schipdonker
wandel ik
trager dan ooit

wals ik
met de bomen
mijn handen op hun schors,
verklap ik ze
mijn dromen,
zoek ik
in hun bloesems
de belofte van
een zorgeloze zomer

tussen wal en
schipdonker
hervindt de vallei
haar adem
nu de mijne stokt

slingert de beek
zich een weg en
weeft sterrenkroos
stille tapijten
boven duizenden
dikkopjes
in haar lome schoot

op haar oevers
houden jonge
neteltoppen
de adem in
en wachten
geduldig
op argeloos
ontblote kuiten

tussen wal en
schipdonker
brullen kikkers me na,
voelt buiten
niet meer als buiten
en binnen als
buiten zinnen

en ik wandel er
trager dan ooit

© Nikki

Blokje rond

Metalen reuzen
schudden dreunend
glas en puin.
De snelweg schuimt
in mijn oren.

Mijn broek rechts van me,
zetten we ons samen schrap.
Gearmd gaan we, per twee.
Een binnenschip rimpelt
het stomme kanaal.

Wintervingers betasten
schaamteloos mijn gezicht;
Takkennetten vangen
het geraas van overzee,
schudden de
woede uit de golven.

Een ree schenkt me
haar wimperslag.
Kauwen knippen gaten
in de jas van de winter.
Drie draagmoeders
hinniken me na.

Het station vuurt haar pijlen af.
Op het perron wervelt
de stukgeslagen
mededeling aan de reizigers.

Dozentreinen denderen log
over de spoorwegbrug.
Tikkend als
een vermoeide kachel,
laat ze zich overreden.

In wijken op sluimerstand
kruist een poes betrapt de straat,
verklappen bruin
ritselende annabellen,
verdorde zomergeheimen
aan passanten.
In de verte blaft een hond.

Onder de kerktoren lonkt
de vrijheid, wenkt de koffie.
De windhaan zet zijn kam op
tegen het noordwesten.
Ook vandaag weer
is het blokje rond.

© Nikki